maandag 29 oktober 2012

Breuk, woede, herinnering



Besloten in gebroken ribben, beeft
het drieste, klamme bonzen van m'n hart
nog na. Voortaan slaap jij, van mij, apart.
Weet ik, zoals elk levend wezen streeft
naar zelfbehoud, nog wel verhalen te
vertellen, zonder dat een droevig slot
gegarandeerd de zieke boel verrot?
Veranderlijke winden hebben me
van kust tot kust, van storm tot storm gewaaid.
Vervloekte duivels hebben in mijn bloed
hun gore drift, hun vieze wrok gezaaid.

Edoch, wanneer mijn geest voor korte tijd
een flits vol tranen op m'n huid verdraagt,
verdwijnt de nijd in dronken tederheid.

zaterdag 4 augustus 2012

Lelijke liefde



Mijn hart kent nog slechts één wens. Ik leef heilig, als een echte asceet. Ik verberg mij tussen de plooien van het bestaan, de holen van het Internet. Mijn stappen laten niet meer na, dan zachte zuchten. Mijn toetsenbord tikt anoniem: ik typ enkel nog voor de blinden van het wereldweb. Mijn bezigheden zijn beperkt: Ik eet, drink, slaap, kak, schrijf en pis. Mijn lichaamsbewegingen, tot het trillen van de neusharen toe, omgord ik met een strikt strakker rooster. Mijn wekker heb ik opgevreten, mijn agenda is na jaren zwoegen ingezweet. Mijn zenuwen zijn ontdaan van die dekselse funk en mijn hoofd staat pal zonder enig spoor van punk.

Ik heb jaren in de ring gestaan om deze toestand te bereiken, om mijzelf te overtreffen in deugdzaamheid. Hoewel ik maar al te goed wist: Zelfoverwinning is per definitie ook een nederlaag. De zonden van de man zijn zonden in de maag. Hoe kordaat ik me ook disciplineerde, tegen het geketter in mijn eigenste maag worstelde ook het heiligenleven van de bebaarde Sint Fransiscus in een inferieure klasse. Onzichtbaar sluipt het 's nachts, op de donkerste tonen van de nacht, binnen in de zwakste kamer van mijn hart.

Het is daar dat mijn dromen kolken en mijn verlangens tieren. Terwijl ik dacht dat ik mijn wensen opborg bundelde ik ze slechts opdat ze ongemerkt, maar des te sterker, zouden sluimeren in de blinde vlekken van mijn ziel. En zo geschiedt iedere nacht hetzelfde ongure wonder. Ikzelf, nu donkerder dan de nacht, kraak en tril tot ik, haast met dezelfde precisie van mijn dagelijks regime, het geweld van de hartstochten door mijn gezuiverde kop hoor razen, zoals alleen de doorgedreven asceet zich aan zijn eigen verbeelding kan verbranden. Vergeef me mijn nachten, O goden oud en nieuw, vergeef me mijn wensen, die nog slechts één zijn en vergeef me mijn liefde, want het zijn de bakens van de onderwereld zelve waar ik U om smeek.

Ik heb haast, ik moet me haasten wil ik het nog schrijven. Voor de deugd mij vangt en ik mijn eigen ogen en oren, armen en benen zie trillen voor een Genade die de mijne niet is. Voor ik, gevangen in deze vrome malloot, vrijwillig mijn eigen lichaam aan Bijbelse kettingen zal binden. Er resten me nog enkele zandkorrels om mijn geslacht te strelen, om mijn eigenste dorst te lessen. Slechts in onderdrukte dromen kan ik tot je komen, in je komen, op je komen. En zelfs daar, waar ik vroeger wild en machtig mijn eigen perversiteiten nog kon spreiden, moet ik toevlucht nemen tot dat ene, wat me in mijn diepste binnenste nog niet ontnomen is. Och, hoezeer wens ik dat Éne, dat mij rest te wensen. Ik denk aan jou, mijn liefste, vannacht en morgennacht en iedere nacht tot het vervloekte geloof ons scheidt. Je nemen zoals je bent, zou van slechte smaak getuigen. Lelijk moet jij zijn, Lelijk, zeg ik u, mijn feeëriek model. Ik wil nog slechts je leven verpesten.

Vrees niet te snel mijn liefste, want net zoals iedere waarlijke obsessie, iedere oprechte bloeddorst sluipt en wacht en plant en graaft teneinde het lang vooropgestelde doel met de grootste zekerheid te bereiken, zo heb ik geduld in overvloed. Ik wacht, eindeloos, omdat ik weet dat je me niet zal ontsnappen, omdat mijn corrupte verbeelding dit ene moment, mijn laatste en eindeloze bestaansreden, toch al voor zich uit ziet stralen, alsof het, onoverkomelijk, nu al voltrokken is. Ik moet wachten en hopen, opdat, ooit, jij, prachtig schepsel oud en dik en lelijk wordt. Want dit wens ik je toe vanuit de diepten van mijn tragisch hart: Een puistenboel op je gezicht, op je benen, buikkwabben om tafels mee af te vegen, schimmels om je huid te verven. Onverbiddelijk: misschien ook een rolstoel of twee, een geamputeerd been en, armloos, etterende stompen aan je schouders aangeplakt. Ik zie je reeds voor me, verlaten door vriend, mens en dier. Ik wens je toe een oud vies kreng te zijn. Een überbitch, bitter als een doodgevroren baby, die je ook niet zou misstaan. Degoutant.
Eenzaam wil ik je treffen, gewrongen in bijtend zuur, vastgeklonken in metalen ongeluk. Een gezicht dat standaard huilt, ogen die dat reeds lang verleerd zijn. Heerlijk!

Het is alleen dan, wanneer die zalige tijd aangebroken zal zijn dat ik, Oh, wat word ik hard, snel nu! ik, ik alleen!, je zal opzoeken. En jij zal van me houden, ondanks alles, je zal me beminnen met een onvoldragen noodzakelijkheid die je je nu nog slechts vaag kan inbeelden(maar toch, nu al, voel je het?). Hoe zal het ook anders kunnen lopen tussen jou, je eigen minnaar, en ik, die als enigste deze liefde met je zal delen? Wanneer én alleen dan, wanneer allen je verlaten zullen hebben, zal ik, heroïsch!, je tonen hoe je zelfhaat enkel liefde kan beteken. Ten langen leste zal ik het zijn, die je edelmoedig naar de wereld trekt, daar waar je zwakke, verzwakte geest al die verdorde verloren jaren naar gesmacht zal hebben. Ik zal je puisten, kwabben en verloren ledematen liefhebben als was het mijn eigen lichaam. Je rollen naar alle uithoeken van het continent, je bitterzure ogen wassen met tederheid. Ja, ik zal het zijn die je hele bestaan een laatste maal doet openbloeien. Ik, Ik! zal degene zijn die met je zal huilen om je afgemaakt afgedankt bastaardkind als was het het mijne. Je enige gezel zal ik zijn, jij! mismaakt schepsel dat ik zal minnen als het laatste avondmaal. Ik word het laatste gezelschap, een enkele, onverwoestbare glimp pracht in je verwoeste bestaan. Verketterd, duizendmaal van de brandstapel gevlucht zullen wij tornen, hoog boven deze verdorde wereld uit, dat immer gehate gehucht, waar troebele hartstochten onherroepelijk, als onkruid, weggesproeid worden. Maar wij, wij zullen bloeien!

En uiteindelijk, wanneer ik na een lange zoektocht, verdwaald tussen je verrimpelde vetrollen eindelijk je heerlijk verrotte blue waffle zal gevonden hebben,(sneller nu sneller! Je botten kraken haast door je eigen gewicht heen, je stikt zo in je eigen slijm, sneller! Ze treden nader, de engelen met stalen zwaarden) zal ik er zacht mijn lippen tegen drukken en met een onderwerelds langgerekte zucht met mijn tong, eindelijk, eindelijk!, tegen je opengebloeide clitoris fluisteren: “is liefde niet mooi?”

zondag 19 februari 2012

woensdag 25 januari 2012

Honds liep ik achter je aan. Ik smeekte je om te blijven. Ik snakte naar je adem. “je bent een dwaas” verweet je me bitter. Ik had mijn ziel opengebroken voor jou. Je dichtte me verheven gedachten toe, maar de grootsheid waarmee ik je overviel liet je verlamd achter. Ik spaarde je ook niet van mijn laagste zelf. Je stond versteld. Je geest barstte in een onhoudbare spreidstand. “Ik kan niet van je houden” wist je nog uit te brengen. Je was dubbel kwaad. Je verafschuwde de vuiligheid die ik je voorhield. Je kon de hemel in mij niet vatten. Alsof ik je de toegang tot de het reine rijk van de ziel onthield. Ik zei wel dat ik van je hield. Ik hield meer van mijn liefde voor jou. Ik zei dat je het niet begreep, en onthield je zo mijn achting. Ik meende je boven alles te bewonderen. Ik achtte je mijn gelijke nog niet. Jij, mijn bloemenmeisje. Je vertelde me hoe mythische wezens de sterren bevolken. Ik weigerde koppig te luisteren, verwonderd. Ik brandde op in het koude ijs van mij rede. Je toonde me zo veel. Soms niet meer dan het wuiven van de duinen, maar altijd een dampende zon op de achtergrond. Ach, ik nam je toch nooit uit naar zee. Ik zag nooit wat je me toonde. Ik wilde het bezitten door jou te bezitten. Het verleden ademt een wasem van spijt, onherroepelijk.
Je hebt me gekend. Je hebt me afgewezen. Ik kan je niets verwijten, al wil ik je slechts haten. Ik vraag me af of ik je iets anders had kunnen tonen, of je het begrepen zou hebben. Je pracht reflecteerde in mijn ogen. We zagen het niet, verblind door een afschrikwekkend alledaagse gewoonte. Je kan me verwijten, ik aanvaard het. Ik wou dat je me meer verweet. We waren samen blind. Nu heb ik ogen, afgunstige, eenzame ogen. Argusogen. Ik wou je ziel aanraken, ik had ze moeten belegeren! Wanneer onze blikken kruisen deel je mijn wanhopig verzet, even. Je fladdert een eind weg, vrolijk. Mijn hart deelt je geluk. Het kost me moeite, het is geen goed. Mijn botten breken.

Onze liefde dolde in luchtkastelen. Jij hebt voet aan vaste grond gezet. Ik kan het je niet vergeven, hoe kon je zo profaan zijn! Ik verteer, langzaam. En je zult lachen, en huilen, en opgetogen zijn, en verontwaardigd, en enthousiast, en vrolijk, en verliefd, en bang, en opgewonden, en, en, en. Maar het zal nooit hetzelfde zijn, nooit. Ik had het je willen tonen. Mijn ambitie stokte voor ik ze uitgesproken had. Ik miste fundament, als een blinde schreeuwde ik tegen het theater dat voor mijn ziel verborgen bleef. Op een ondraaglijk stoïcijnse manier ontroerde ik je. Verdwijn! Als je niet van me kunt houden, haat me dan.

zondag 15 januari 2012

Het doet pijn om schitterend te zijn.



Arthur hing zijn deur vol sloten en danste als een hond tussen het knalrode interieur. Hij beklom een paarse tweedehandsdesignstoel om baldadig zijn longen te lichten. Wijn vloeide in en uit het glas. OMD vulde de woonst met klanken. Arthur's huis was sierlijk op een potsierlijke manier. Net als Arthur stond het alleen. Het was ingenieus uitbundig ingekleed, alles bedekt met stof of zacht plastiek, in de meest felle kleuren. Overal lagen kleren waar Arthur absoluut niet in paste. Ofschoon Arthur geen kind meer was, had hij zijn huis gevuld met speelgoed. Zijn speeltjes boden een terugblik op het Mesozoïcum(dinosaurussen!), een reflectie op het heden of een vooruitblik op helse ruimtevaart. Arthur bezat een grote pollepel die met een draadje aan het plafond hing. Met deze lepel overgoot hij zich in bad. Tevens kom hij vanuit dit bad deur-aan-deur verkopers op een lauwe dan wel hete douche (Nuon lauw-Luminus heet) bezorgen.
Het valt me zwaar Arthur te moeten bekritiseren. Helaas laat zijn roze pluchetapijt me geen keus. Arthur zelf beweert dat het voor zijn katten is, die er schijnbaar dol op zijn. Alleen is daarmee nog niet verklaard hoe dat schabouwsel daar ooit terechtgekomen is. Hij kan het immers onmogelijk geïnstalleerd hebben met de intentie de katten te plezieren.

Ik weet niet of het verantwoord is me hier kritisch op te stellen. Het probleem met excentrieke personen is immers dat ze ons wijzen op onze eigen conventionaliteit. Ofschoon we hen vaak bewonderen zullen we bijgevolg niet laten hen te bekritiseren tot in het diepste detail. Ook al zijn we dan verrukt over de durf, creativiteit en levendigheid die excentrieken ons voorspiegelen, we zullen het hen nooit vergeven ons op onze middelmatigheid gedrukt te hebben. Arthur ontving bijgevolg zelden gasten.  Een jammerlijk gegeven aangezien Arthur over een uitstekende wijncollectie beschikte. Bovendien kon je zijn huis gerust als een soort hemel voor honkvaste ontdekkingsreizigers beschouwen.

Een heuse binnenhuisrommelhandsmarkt. In iedere hoek, zelfs buiten de hoeken vond je de meest versleten, nutteloze voorwerpen. De verschillende muren vaak elk in een aparte kleur. Te midden van die chaos vond je werkelijk schatten. Een originele Dark Side of the Moon, Oorlog & Vrede(bestaat deze wel nog? Maakt het wat uit of je ze al dan niet in orginele uitgave bezit?)  in eerste druk, een stokoude, perfect functionerende platenspeler, diamant. Elektrisch apparaten lagen als puzzels verspreid door het huis. Je kon er werkelijke de meest wonderlijke toestellen mee in elkaar knutselen! Arthur besteedde er al lang geen aandacht meer aan, zoals iedereen voorbijgaat aan wat hem het meest verheugt. Vermoeid sleepte hij zich naar de wijnkelder. Hij koos een stokoude fles. De fles, gedateerd in het begin van de 19de eeuw, deed vreemd aan. Het werd al snel duidelijk dat het hier om een onmogelijkheid ging die toch plaats vond. Niemand minder dan Goethe, ondertussen op leeftijd, verscheen immers uit de fles. Arthur nodigde hem uit in zijn woonkamer. Hij excuseerde zich ietwat verlegen voor de rommel, maar Goethe knikte goedkeurend.

Hoewel Birgitte Bardot niet uit een fles verscheen was haar komst toch reeds minder verrassend. Arthur was verrukt, Goethe zichtbaar ook. Allen had Arthur liever gehad dat ze die afgrijselijke poedel had thuisgelaten. Hij bracht al zijn spullen in de war. Wanneer hij er iets aan wou doen schreeuwde Bardot. “Blijf van mijn hondje, communistische rat; jood, neger, proleet, democraat! Laat het met rust! Ik rijd je aan stukken.” Arthur zou niet liever willen, hij snakte naar haar vlees als een bull-dog. Toch stapte hij beleefdheidshalve terug en Bardot werd weer kalm. Een olijk, doch weinig samenhangend gesprek begint. Bardot plots: “Inderdaad mag u trots zijn op u Duitse nationaliteit. Wat allen al langer wisten is nu ook door de nieuwste wetenschappelijke theorieën bevestigd. Namelijk dat het Duitse volk van alle mensen het verst staat op de evolutionaire trap; Bovendien is jullie gemeenschapsgevoel zo ontwikkeld dat jullie het enige volk zonder Oedipus-complex mogen heten. Jullie egoïsme drukt zich uit in gemeeschapswaarden. Er zal een leider opstaan die de eeuwige wederkeer van de superioriteit van het Duitse ras zal erkennen en waarderen. Pas dan zal het zich kunnen ontdoen van alle onzuiverheden van dien en waarlijk schitteren in opperste glorie, en dat voor eeuwig opnieuw.” Goethe wist niet goed hoe te reageren, hij stamelde slechts. Wanneer ze even later naar de eetkamer optrokken liep hij peinzend achteraan.

Arthur maakte heerlijke vis klaar en allen klaarden op. Goethe en Bardot haastten zich om Arthur te bedanken voor het heerlijke maal. “Geen nood,” antwoordde die, “op vrijdag eet ik altijd vis. Ik ga erom...” “Is het al vrijdag? Vrijdag!” Viel Goethe verrast in. Zowel hij als Arthur schrikten op, een klok sloeg. Ze keken naar elkaar, ze lonkten naar Birgitte Bardot. Vanaf dit tragisch ogenblik waren het rivalen, gold Bardot nog louter een trofee. Ja, de heren waren verliefd!

Het was onvermijdelijk. Goethe pakte een degen op uit de rommel. Arthur volgde hem na. De kemphanen gingen elkaars blik niet uit de weg. Beiden stelden zich in houding. De punt naar voor, gereed voor de aanval. Goethe opende verbaal: “Hoor eens Arthur, dit is mijn tijdperk niet. Ik ben er dan ook niet verantwoordelijk voor. Maar hoe jij je hier tussen al die rommel teruggetrokken hebt kan ik niet begrijpen. Je huis is charmant, maar het blijft een hoop rotzooi. Je bent toch nog steeds een mens, deel van de samenleving, mens tussen medemensen. Net als altijd hebben de machthebbenden de macht gegrepen. Mijn vriend, Warren Buffet heeft gezegd:

“If you look at the 400 highest taxpayers in the United States in 1992, the first year for figures, they averaged about $40 million of [income] per person. In the most recent year, they were $227 million per person — five for one. During that period, their taxes went down from 29 percent to 21 percent of income. So, if there’s class warfare, the rich class has won.”

Hun geknoei brengt jullie allen in crisis. Ze doen jullie geloven dat het onvermijdelijk is, dat jullie knechten boven jullie stand geleefd hebben. En nu zal iedereen het voelen. Ja, jullie zijn fier geweest. Jullie hebben jullie niet laten doen, jullie hebben gestreden. Zodat ook degenen die het even niet wisten, die hun plaats om wat voor reden dan ook niet konden vinden toch een plaats kregen. Jullie hebben het voor mekaar gekregen dat op – uiteraard beperkte – plaatsen ook de “zwakkeren” recht hadden te bestaan. Helaas ook voor beperkte tijd, blijkt nu. Ze zijn erin geslaagd jullie te doen geloven dat jullie één van hen zijn. Terwijl jullie toch van hun geneugten bespaard blijven. “De klassenoorlog is voorbij,” zeggen ze dan. Ze doen het voorkomen dat armen, werklozen en zieken, eigenschappen waar jullie toch alleen maar tijdelijk aan kunnen ontsnappen, de vijand zijn. Ze verdelen en heersen terwijl hun echte strijd gemaskerd voortgezet wordt. Want vergis U niet Arthur, zij zijn nooit degenen geweest die om je gaven en ze zullen het ook niet worden. En jullie laten jullie meeslepen. Gewapend met maatschappelijke analyses op basis van vage, ondefinieerbare psychologische begrippen als luiheid gaan jullie tegen jullie eigen kameraden tekeer. In naam van een onvermijdelijkheid die jullie opgelegd werd, een verantwoordelijkheid die jullie opgedrongen is. Zo moeilijk is het allemaal niet in te zien. Er zijn er genoeg die het niet nemen. Ze trekken op straat en nemen het woord. Wanneer de machthebbenden voor hen pretenderen te spreken stellen ze terecht: “Niet in onze naam!” Ze weten dat het negenennegentig tegen één is. Niet de fortuinlijke knechten tegen de minder fortuinlijke zoals ze jullie toch zo graag zien knoeien. Ze durven mens te zijn, hun medemensen in de ogen te kijken en als gelijke te erkennen. Ze hebben de kracht om in de zwakheid van een ander hun eigen onmacht te erkennen. Wat moet ik je dat nu allemaal vertellen? Je bent verstandig genoeg om het te weten en je weet het óók. Maar hoe handel je dan? Je acht het allemaal te moeilijk, te gecompliceerd om je er werkelijk mee bezig te houden. Je voelt je te klein om in opstand te komen. Je hebt het tijdelijk goed en dat acht je genoeg. Noch je toekomst, noch het al te pijnlijke heden van je medemensen kunnen je in beweging brengen. Waar ben je in hemelsnaam mee bezig? Je zit hier godganse dagen te niksen in je doe-het-zelf vagevuur. En nu pretendeer je verliefd te zijn op Birgitte Bardot. Haar fascistisch gebrabbel is nog schoner dan al die verheven idealen die je jezelf toedicht bij elkaar. Iemand als zij bestaat niet in jou tijd. Wat er wel is, is ellende en onrecht. Maar daar ben je blind voor. Wat zeg ik? Je ziet het maar al te goed! En je mag nu wel denken dat ik hier louter in mijn eigen belang gesproken heb. Dat kan allemaal zo zijn, maar het maakt het er niet minder waar op.”


Arthur perplexte. Deze donderpreek was een ingenieuze zet van Goethe geweest. Arthur's geest  overrompeld. Hij wou inderdaad eerst afweren met de gedachte dat het Goethe toch allemaal heel goed uitkwam wat hij zei, maar hij besefte evengoed dat dat niets afdeed van de waarde van zijn woorden, die bovendien geen gedachten uitdrukten die Arthur voorheen niet ook al zelf bedacht had. De verrassende directheid waarmee Goethe hem toegesproken had liet Arthur geen ruimte om zijn zorgen weg te ontwijken. Hij moest wel instemmen. Toch wist hij dat hij zich niet gewonnen ging geven. Het ging nu eenmaal over Birgitte Bardot, een fascistisch, verrukkelijk wijf! Hij had er even moeilijk mee en besloot rationeel met zichzelf te overleggen wat te doen. Dwaas natuurlijk, want hij had toch al beslist!

Goethe had het ook al in de mot, hij zette een plechtig gezicht en naderde Arthur, langzaam, de punt van zijn degen op Arthur's borst gericht. Het steekspel begon. Beiden hadden vertrouwen in een goede afloop en schermden zonder angst. Beiden wisten ook dat als ze de ander niet doden, het omgekeerde zou gebeuren. Goethe zette de aanval in, Arthur ving hem snel op. Zijn steken waren niet zeer snel, noch moeilijk af te weren. Atrhur wist echter dat hij niet voluit ging, want Goethe verdween telkens weer uit Arthur's bereik wanneer die een tegenaanval wou lanceren. Arthur vatte moed. Hij zette aan, behendig, snel. Goethe weerde met moeite af. Arthur ontsnapte ternauwernood aan Goethe's antwoord. Hij had overhaast aangezet, het had zijn dood kunnen zijn. Uit Goethe's parade maakte hij op dat Goethe wel eens sneller zou kunnen zijn dan hij aanvankelijk gedacht had. Arthur zette opnieuw de aanval in, voorzichtiger dit keer. Hij dreigde met enkele schijnsteken, Goethe reageerde niet. Pas wanneer zijn aanval echt gevaarlijk werd had Goethe een antwoord klaar. Dit keer had hij minder moeite met afweren, zijn tegenaanval was onverwachts snel. Arthur sprong weg, net te laat om Goethe's steek te ontwijken. Goethe's degen doorboorde zijn knie. Hij hinkte achteruit. Hij was bang dat Birgitte Bardot bezorgd zou zijn en zocht haar met zijn ogen. Zij was echter schijnbaar geheel niet geïnteresseerd in de levensbedreigend strijd die Arthur uitvocht met een van de meest gewichtige intellecten uit de geschiedenis der mensheid! Ze vertroetelde haar poedel. Athur was compleet vertederd, hij besloot dat ze niet durfde kijken.

Goethe kwam opzetten. Sneller nu, vastberaden. Arthur weerde af, maar Goethe had het doorzien, hij ontweek en zette door. Arthur kon maar nipt ontkomen, aan tegenaanvallen dacht hij al niet meer. Hij besefte dat Goethe voorzichtig gestart was om zijn spel te lezen. Ondertussen wist Goethe vaak Arthur's reacties sneller te doorzien dan hijzelf. Nu hij verzwakt was en Goethe steeds feller kwam op zetten besefte Arthur dat hij het gevecht niet zou winnen. Hij wist bovendien dat Goethe genadeloos was voor ordinaire romantici. Hij wist dat hij zou sterven. En, jawel hoor! Goethe zette aan, ontweek met gemak Arthur's wanhopige tegenaanval en doorboorde zijn hart. Met gevoel voor pathos zakte Arthur op zijn knieën . Vallend richtte hij zijn blik een laatste maal op Brigitte Bardot, die nog steeds achteloos haar gruwelijk lelijke poedel vertroetelde. Ditmaal kon hij zichzelf niet overtuigen dat ze wegkeek uit ondraaglijke empathie voor haar geliefden. Tot zijn eigen verbazing was hij toch niet droevig op 't eind.“Wat een leven!” dacht hij nog, en hij liet het achter.

Goethe achtte zich aanvankelijk geenszins triomfantelijk. Hij had Arthur graag gemogen. Maar gezien hun situatie was zijn dood onvermijdelijk geweest. Goethe begreep dat een passioneel leven offers vergt. Hij verheugde zich niet in het noodzakelijke, noch mokte hij erover. Hij draaide zich om, zijn gezicht nog steeds plechtig geplooid, keek Brigitte Bardot aan. De grote meester straalde. Zij had om onbegrijpelijke reden al haar kleren verloren. Hij knielde voor haar neer. Zwoer haar dat zij het hoogste voor hem was, dat niets ter wereld aan haar kon tippen, dat hij voor eeuwig aan haar zijde stond. Hij verklaarde zich haar knecht, haar horige, haar slaaf. Voor haar zou hij duizenden pacten met de duivel sluiten. Zijn liefde zou zo puur zijn dan God ze alle duizenden weer ongeldig zou verklaren. Voor het eerst in zijn leven voelde hij zich voldaan. Hij stond op, nam Birgitte Bardot bij de arm en stapte met haar het verhaal uit...

Tenminste, zo had hij het voor zich gezien. Bardot rukte zich heftig los. Ze brieste “Gij.....Gij” “Ziet ge dan niet dat ik een fascistisch rotwijf ben!!! Ik heb een mooi snoetje, maar wat zou dat. Jullie mannen zijn allemaal hetzelfde, je ook gij, grijsaard! Jullie noemen ons het hoogste, nobelste, edelste wat weet ik allemaal. Maar jullie ontologiën zijn geperverteerd.  Namen kunnen jullie me wel geven, maar als ik spreek dan luisteren jullie niet en op het einde mag ik sperma slikken.”
Einde verhaal.

zondag 11 december 2011

Ik vergis me niet. Exact vierentwintig jaar geleden waren we jong. Het was een zomerdag, zo een waarop het fruit regent. We bezetten een eenzaam stuk aarde. Ik bekogelde je ranke lijf met aardbeien. Je reactie bleef niet uit, spoedig spatten druiven uiteen op mijn borst. We lachten want het was warm en we waren eindelijk jong. Je vergreep je aan dadels, ik hield het keurig bij meloen. Mango vulde de ruimte tussen onze lippen. Vrolijk bedreven we de melancholie, jij je armen opengeslagen. Ik heb er nooit iemand over verteld, wat ademde je vrijheid toen. Kon ik maar bij je gebleven zijn, ik zou voldoening uit dit leven gehaald hebben. Alles mocht op alle vlakken stuklopen, ik wou je slechts beminnen. Ik wilde voor je arbeiden, bedelen als het moest. Dat deed ik ook, want je vergezelde me niet onbetaald. Maar toch, ik alléén wilde voor je zwoegen. Je lachte mijn ambities opgetogen uit. Noten kraakten de spanningen tussen onze lichamen weg. 
“Sluit je ogen, luister naar je lichaam. Ontspan het. Eerst je hoofd, dan je nek, vervolgens je borst, buik. Nu je armen, benen. Tot je voeten, je tenen toe. Je bent licht, vederlicht, wat je verlangt stijgt naar de boven en verzoent zich met de hemel. Verzet je niet langer, geef geluk wat het toekomt, je godin komt naast je liggen.” Wat hield ik toen van je en je net niet geëmancipeerde lach. Je wist dat je sterk moest staan, al kende je de ruwheid van het bestaan nog niet. Alleen ananas vond je ruw, maar dat kon ik schillen. Je liet je strelen, ik drukte mijn vinger op je neus, “Je bent zo zacht als een perzik”
“Jij plebejisch als een pruim.” Ik trok prompt een ster na beneden, ik versierde je haar. Je was blij, want dat dreef je prijs op. Je overlaadde me met kussen. Geluk komt door een kier, maar jij smeet de poort open. Ik sleurde je in een waterval, om je haar nat te zien. Je stráálde honderduit, drukte je lijf tegen me aan. “Zeg dat je van me houdt” je deed het, omdat ik het vroeg. “Zeg dat je van me droomt” “Zeg dat je me nooit verlaat” “Zeg dat je alleen de mijne wil zijn” “Sorry, ik werd dictatoriaal, omhels me.” Je verzorgde mijn wonden met citroenen. Het prikte, tot je er je lippen op perste. Verrukt droomden we naar elkaar toe. “Ik vind je leuk,” deze was spontaan. We gingen verder op onze tenen, je wou het gras niet kwetsen. “Er is veel dat ik niet begrijp, vertel me iets, jij begrijpt zoveel.” Dat was misschien zo, maar ik begreep jou niet, je had je onmogelijk kunnen voorstellen hoe opgetogen ik daarvan werd. We bereikten een hoogtepunt, je bloosde als een appelsien. Ik aanbad je van top tot teen.

Het mocht duidelijk zijn dat ik je niet begreep. Ik was je eerste klant, je was bang geweest. In het begin toch. Ons geluk leek iets vanzelfsprekends. En toch achtervolgt het ons nog steeds, als een herinnering , maar ook als schuld. We betalen elk op onze eigen manier. Ik offer mijn inkomen op om groenten-hoeren af te schuimen. Jij lacht al even gemaakt als de rest, terwijl je je gewillig – of dat wil je toch uitstralen – laat keuren achter een ruit. Je herkende me niet, ik was daar blij om. Ik vroeg me wat er van ons terechtgekomen kon zijn, zonder die ene ontmoeting. Hoezeer ik me ook verantwoordelijk voelde voor je situatie, ik kon me er niet toe brengen onze wellustige rebellie te beklagen. Ik verweet mezelf, want ik kon het niet laten te mijmeren. Vergeef me.



zaterdag 10 december 2011

Apologie van een leider van morgen

Mijn mooiste bezitting is mijn verdriet. De tegenstelling tussen dromen en leven is afschuwelijk maar het verdriet dat aan die breuk ontspringt is prachtig. Harmonieus, disfunctioneel en vergankelijk. Leven is een klein toeval in een oneindige kosmos. Jaarlijks wordt 1,3 miljard ton voedsel weggesmeten, ongeveer 925 miljoen mensen lijden honger. Dat is ruwweg een derde van de voedselproductie, een achtste van de wereldbevolking. De mens beschikt over een steeds toenemend arsenaal aan technologische middelen om natuurlijke hulpbronnen uit te putten of handenarbeid te mechaniseren, steeds meer mensen moeten steeds langer werken. De CO2-uitstoot is vorig jaar ongemeen sterk gestegen, onder prominente wetenschappers staat het al lang niet meer ter discussie dat we de aarde aan het vergassen zijn. Overigens wist De Morgen me mee te delen dat LiLo's Playboyfoto's gelekt zijn. Je kan ze hier bekijken. Als het algehele morele verval één voordeel heeft opgeleverd is het dat kinderen niet meer naar hun ouders opkijken, want zo hóórt het. Volwassenheid is een tegenstrijdig feit. We kijken naar films waarin mensen belogen worden en verbazen ons erover terwijl we onszelf zelf beliegen. We kijken naar films om ons te verheugen in de ondergang van het kwaad terwijl we er zelf aan deelnemen. Absurdo, ergo sum. Ironisch genoeg hadden de christenen het nog het beste door. Wie zich niet schuldig voelt, is immoreel. Ofwel eis ik van de Verenigde Naties een verklaring, door alle leden ondertekend, waarin we allen gezamenlijk toegeven een bende onverantwoordelijke nitwits te zijn, ofwel moet er iets veranderen.