zaterdag 4 augustus 2012

Lelijke liefde



Mijn hart kent nog slechts één wens. Ik leef heilig, als een echte asceet. Ik verberg mij tussen de plooien van het bestaan, de holen van het Internet. Mijn stappen laten niet meer na, dan zachte zuchten. Mijn toetsenbord tikt anoniem: ik typ enkel nog voor de blinden van het wereldweb. Mijn bezigheden zijn beperkt: Ik eet, drink, slaap, kak, schrijf en pis. Mijn lichaamsbewegingen, tot het trillen van de neusharen toe, omgord ik met een strikt strakker rooster. Mijn wekker heb ik opgevreten, mijn agenda is na jaren zwoegen ingezweet. Mijn zenuwen zijn ontdaan van die dekselse funk en mijn hoofd staat pal zonder enig spoor van punk.

Ik heb jaren in de ring gestaan om deze toestand te bereiken, om mijzelf te overtreffen in deugdzaamheid. Hoewel ik maar al te goed wist: Zelfoverwinning is per definitie ook een nederlaag. De zonden van de man zijn zonden in de maag. Hoe kordaat ik me ook disciplineerde, tegen het geketter in mijn eigenste maag worstelde ook het heiligenleven van de bebaarde Sint Fransiscus in een inferieure klasse. Onzichtbaar sluipt het 's nachts, op de donkerste tonen van de nacht, binnen in de zwakste kamer van mijn hart.

Het is daar dat mijn dromen kolken en mijn verlangens tieren. Terwijl ik dacht dat ik mijn wensen opborg bundelde ik ze slechts opdat ze ongemerkt, maar des te sterker, zouden sluimeren in de blinde vlekken van mijn ziel. En zo geschiedt iedere nacht hetzelfde ongure wonder. Ikzelf, nu donkerder dan de nacht, kraak en tril tot ik, haast met dezelfde precisie van mijn dagelijks regime, het geweld van de hartstochten door mijn gezuiverde kop hoor razen, zoals alleen de doorgedreven asceet zich aan zijn eigen verbeelding kan verbranden. Vergeef me mijn nachten, O goden oud en nieuw, vergeef me mijn wensen, die nog slechts één zijn en vergeef me mijn liefde, want het zijn de bakens van de onderwereld zelve waar ik U om smeek.

Ik heb haast, ik moet me haasten wil ik het nog schrijven. Voor de deugd mij vangt en ik mijn eigen ogen en oren, armen en benen zie trillen voor een Genade die de mijne niet is. Voor ik, gevangen in deze vrome malloot, vrijwillig mijn eigen lichaam aan Bijbelse kettingen zal binden. Er resten me nog enkele zandkorrels om mijn geslacht te strelen, om mijn eigenste dorst te lessen. Slechts in onderdrukte dromen kan ik tot je komen, in je komen, op je komen. En zelfs daar, waar ik vroeger wild en machtig mijn eigen perversiteiten nog kon spreiden, moet ik toevlucht nemen tot dat ene, wat me in mijn diepste binnenste nog niet ontnomen is. Och, hoezeer wens ik dat Éne, dat mij rest te wensen. Ik denk aan jou, mijn liefste, vannacht en morgennacht en iedere nacht tot het vervloekte geloof ons scheidt. Je nemen zoals je bent, zou van slechte smaak getuigen. Lelijk moet jij zijn, Lelijk, zeg ik u, mijn feeëriek model. Ik wil nog slechts je leven verpesten.

Vrees niet te snel mijn liefste, want net zoals iedere waarlijke obsessie, iedere oprechte bloeddorst sluipt en wacht en plant en graaft teneinde het lang vooropgestelde doel met de grootste zekerheid te bereiken, zo heb ik geduld in overvloed. Ik wacht, eindeloos, omdat ik weet dat je me niet zal ontsnappen, omdat mijn corrupte verbeelding dit ene moment, mijn laatste en eindeloze bestaansreden, toch al voor zich uit ziet stralen, alsof het, onoverkomelijk, nu al voltrokken is. Ik moet wachten en hopen, opdat, ooit, jij, prachtig schepsel oud en dik en lelijk wordt. Want dit wens ik je toe vanuit de diepten van mijn tragisch hart: Een puistenboel op je gezicht, op je benen, buikkwabben om tafels mee af te vegen, schimmels om je huid te verven. Onverbiddelijk: misschien ook een rolstoel of twee, een geamputeerd been en, armloos, etterende stompen aan je schouders aangeplakt. Ik zie je reeds voor me, verlaten door vriend, mens en dier. Ik wens je toe een oud vies kreng te zijn. Een überbitch, bitter als een doodgevroren baby, die je ook niet zou misstaan. Degoutant.
Eenzaam wil ik je treffen, gewrongen in bijtend zuur, vastgeklonken in metalen ongeluk. Een gezicht dat standaard huilt, ogen die dat reeds lang verleerd zijn. Heerlijk!

Het is alleen dan, wanneer die zalige tijd aangebroken zal zijn dat ik, Oh, wat word ik hard, snel nu! ik, ik alleen!, je zal opzoeken. En jij zal van me houden, ondanks alles, je zal me beminnen met een onvoldragen noodzakelijkheid die je je nu nog slechts vaag kan inbeelden(maar toch, nu al, voel je het?). Hoe zal het ook anders kunnen lopen tussen jou, je eigen minnaar, en ik, die als enigste deze liefde met je zal delen? Wanneer én alleen dan, wanneer allen je verlaten zullen hebben, zal ik, heroïsch!, je tonen hoe je zelfhaat enkel liefde kan beteken. Ten langen leste zal ik het zijn, die je edelmoedig naar de wereld trekt, daar waar je zwakke, verzwakte geest al die verdorde verloren jaren naar gesmacht zal hebben. Ik zal je puisten, kwabben en verloren ledematen liefhebben als was het mijn eigen lichaam. Je rollen naar alle uithoeken van het continent, je bitterzure ogen wassen met tederheid. Ja, ik zal het zijn die je hele bestaan een laatste maal doet openbloeien. Ik, Ik! zal degene zijn die met je zal huilen om je afgemaakt afgedankt bastaardkind als was het het mijne. Je enige gezel zal ik zijn, jij! mismaakt schepsel dat ik zal minnen als het laatste avondmaal. Ik word het laatste gezelschap, een enkele, onverwoestbare glimp pracht in je verwoeste bestaan. Verketterd, duizendmaal van de brandstapel gevlucht zullen wij tornen, hoog boven deze verdorde wereld uit, dat immer gehate gehucht, waar troebele hartstochten onherroepelijk, als onkruid, weggesproeid worden. Maar wij, wij zullen bloeien!

En uiteindelijk, wanneer ik na een lange zoektocht, verdwaald tussen je verrimpelde vetrollen eindelijk je heerlijk verrotte blue waffle zal gevonden hebben,(sneller nu sneller! Je botten kraken haast door je eigen gewicht heen, je stikt zo in je eigen slijm, sneller! Ze treden nader, de engelen met stalen zwaarden) zal ik er zacht mijn lippen tegen drukken en met een onderwerelds langgerekte zucht met mijn tong, eindelijk, eindelijk!, tegen je opengebloeide clitoris fluisteren: “is liefde niet mooi?”

Geen opmerkingen:

Een reactie posten