zondag 15 januari 2012

Het doet pijn om schitterend te zijn.



Arthur hing zijn deur vol sloten en danste als een hond tussen het knalrode interieur. Hij beklom een paarse tweedehandsdesignstoel om baldadig zijn longen te lichten. Wijn vloeide in en uit het glas. OMD vulde de woonst met klanken. Arthur's huis was sierlijk op een potsierlijke manier. Net als Arthur stond het alleen. Het was ingenieus uitbundig ingekleed, alles bedekt met stof of zacht plastiek, in de meest felle kleuren. Overal lagen kleren waar Arthur absoluut niet in paste. Ofschoon Arthur geen kind meer was, had hij zijn huis gevuld met speelgoed. Zijn speeltjes boden een terugblik op het Mesozoïcum(dinosaurussen!), een reflectie op het heden of een vooruitblik op helse ruimtevaart. Arthur bezat een grote pollepel die met een draadje aan het plafond hing. Met deze lepel overgoot hij zich in bad. Tevens kom hij vanuit dit bad deur-aan-deur verkopers op een lauwe dan wel hete douche (Nuon lauw-Luminus heet) bezorgen.
Het valt me zwaar Arthur te moeten bekritiseren. Helaas laat zijn roze pluchetapijt me geen keus. Arthur zelf beweert dat het voor zijn katten is, die er schijnbaar dol op zijn. Alleen is daarmee nog niet verklaard hoe dat schabouwsel daar ooit terechtgekomen is. Hij kan het immers onmogelijk geïnstalleerd hebben met de intentie de katten te plezieren.

Ik weet niet of het verantwoord is me hier kritisch op te stellen. Het probleem met excentrieke personen is immers dat ze ons wijzen op onze eigen conventionaliteit. Ofschoon we hen vaak bewonderen zullen we bijgevolg niet laten hen te bekritiseren tot in het diepste detail. Ook al zijn we dan verrukt over de durf, creativiteit en levendigheid die excentrieken ons voorspiegelen, we zullen het hen nooit vergeven ons op onze middelmatigheid gedrukt te hebben. Arthur ontving bijgevolg zelden gasten.  Een jammerlijk gegeven aangezien Arthur over een uitstekende wijncollectie beschikte. Bovendien kon je zijn huis gerust als een soort hemel voor honkvaste ontdekkingsreizigers beschouwen.

Een heuse binnenhuisrommelhandsmarkt. In iedere hoek, zelfs buiten de hoeken vond je de meest versleten, nutteloze voorwerpen. De verschillende muren vaak elk in een aparte kleur. Te midden van die chaos vond je werkelijk schatten. Een originele Dark Side of the Moon, Oorlog & Vrede(bestaat deze wel nog? Maakt het wat uit of je ze al dan niet in orginele uitgave bezit?)  in eerste druk, een stokoude, perfect functionerende platenspeler, diamant. Elektrisch apparaten lagen als puzzels verspreid door het huis. Je kon er werkelijke de meest wonderlijke toestellen mee in elkaar knutselen! Arthur besteedde er al lang geen aandacht meer aan, zoals iedereen voorbijgaat aan wat hem het meest verheugt. Vermoeid sleepte hij zich naar de wijnkelder. Hij koos een stokoude fles. De fles, gedateerd in het begin van de 19de eeuw, deed vreemd aan. Het werd al snel duidelijk dat het hier om een onmogelijkheid ging die toch plaats vond. Niemand minder dan Goethe, ondertussen op leeftijd, verscheen immers uit de fles. Arthur nodigde hem uit in zijn woonkamer. Hij excuseerde zich ietwat verlegen voor de rommel, maar Goethe knikte goedkeurend.

Hoewel Birgitte Bardot niet uit een fles verscheen was haar komst toch reeds minder verrassend. Arthur was verrukt, Goethe zichtbaar ook. Allen had Arthur liever gehad dat ze die afgrijselijke poedel had thuisgelaten. Hij bracht al zijn spullen in de war. Wanneer hij er iets aan wou doen schreeuwde Bardot. “Blijf van mijn hondje, communistische rat; jood, neger, proleet, democraat! Laat het met rust! Ik rijd je aan stukken.” Arthur zou niet liever willen, hij snakte naar haar vlees als een bull-dog. Toch stapte hij beleefdheidshalve terug en Bardot werd weer kalm. Een olijk, doch weinig samenhangend gesprek begint. Bardot plots: “Inderdaad mag u trots zijn op u Duitse nationaliteit. Wat allen al langer wisten is nu ook door de nieuwste wetenschappelijke theorieën bevestigd. Namelijk dat het Duitse volk van alle mensen het verst staat op de evolutionaire trap; Bovendien is jullie gemeenschapsgevoel zo ontwikkeld dat jullie het enige volk zonder Oedipus-complex mogen heten. Jullie egoïsme drukt zich uit in gemeeschapswaarden. Er zal een leider opstaan die de eeuwige wederkeer van de superioriteit van het Duitse ras zal erkennen en waarderen. Pas dan zal het zich kunnen ontdoen van alle onzuiverheden van dien en waarlijk schitteren in opperste glorie, en dat voor eeuwig opnieuw.” Goethe wist niet goed hoe te reageren, hij stamelde slechts. Wanneer ze even later naar de eetkamer optrokken liep hij peinzend achteraan.

Arthur maakte heerlijke vis klaar en allen klaarden op. Goethe en Bardot haastten zich om Arthur te bedanken voor het heerlijke maal. “Geen nood,” antwoordde die, “op vrijdag eet ik altijd vis. Ik ga erom...” “Is het al vrijdag? Vrijdag!” Viel Goethe verrast in. Zowel hij als Arthur schrikten op, een klok sloeg. Ze keken naar elkaar, ze lonkten naar Birgitte Bardot. Vanaf dit tragisch ogenblik waren het rivalen, gold Bardot nog louter een trofee. Ja, de heren waren verliefd!

Het was onvermijdelijk. Goethe pakte een degen op uit de rommel. Arthur volgde hem na. De kemphanen gingen elkaars blik niet uit de weg. Beiden stelden zich in houding. De punt naar voor, gereed voor de aanval. Goethe opende verbaal: “Hoor eens Arthur, dit is mijn tijdperk niet. Ik ben er dan ook niet verantwoordelijk voor. Maar hoe jij je hier tussen al die rommel teruggetrokken hebt kan ik niet begrijpen. Je huis is charmant, maar het blijft een hoop rotzooi. Je bent toch nog steeds een mens, deel van de samenleving, mens tussen medemensen. Net als altijd hebben de machthebbenden de macht gegrepen. Mijn vriend, Warren Buffet heeft gezegd:

“If you look at the 400 highest taxpayers in the United States in 1992, the first year for figures, they averaged about $40 million of [income] per person. In the most recent year, they were $227 million per person — five for one. During that period, their taxes went down from 29 percent to 21 percent of income. So, if there’s class warfare, the rich class has won.”

Hun geknoei brengt jullie allen in crisis. Ze doen jullie geloven dat het onvermijdelijk is, dat jullie knechten boven jullie stand geleefd hebben. En nu zal iedereen het voelen. Ja, jullie zijn fier geweest. Jullie hebben jullie niet laten doen, jullie hebben gestreden. Zodat ook degenen die het even niet wisten, die hun plaats om wat voor reden dan ook niet konden vinden toch een plaats kregen. Jullie hebben het voor mekaar gekregen dat op – uiteraard beperkte – plaatsen ook de “zwakkeren” recht hadden te bestaan. Helaas ook voor beperkte tijd, blijkt nu. Ze zijn erin geslaagd jullie te doen geloven dat jullie één van hen zijn. Terwijl jullie toch van hun geneugten bespaard blijven. “De klassenoorlog is voorbij,” zeggen ze dan. Ze doen het voorkomen dat armen, werklozen en zieken, eigenschappen waar jullie toch alleen maar tijdelijk aan kunnen ontsnappen, de vijand zijn. Ze verdelen en heersen terwijl hun echte strijd gemaskerd voortgezet wordt. Want vergis U niet Arthur, zij zijn nooit degenen geweest die om je gaven en ze zullen het ook niet worden. En jullie laten jullie meeslepen. Gewapend met maatschappelijke analyses op basis van vage, ondefinieerbare psychologische begrippen als luiheid gaan jullie tegen jullie eigen kameraden tekeer. In naam van een onvermijdelijkheid die jullie opgelegd werd, een verantwoordelijkheid die jullie opgedrongen is. Zo moeilijk is het allemaal niet in te zien. Er zijn er genoeg die het niet nemen. Ze trekken op straat en nemen het woord. Wanneer de machthebbenden voor hen pretenderen te spreken stellen ze terecht: “Niet in onze naam!” Ze weten dat het negenennegentig tegen één is. Niet de fortuinlijke knechten tegen de minder fortuinlijke zoals ze jullie toch zo graag zien knoeien. Ze durven mens te zijn, hun medemensen in de ogen te kijken en als gelijke te erkennen. Ze hebben de kracht om in de zwakheid van een ander hun eigen onmacht te erkennen. Wat moet ik je dat nu allemaal vertellen? Je bent verstandig genoeg om het te weten en je weet het óók. Maar hoe handel je dan? Je acht het allemaal te moeilijk, te gecompliceerd om je er werkelijk mee bezig te houden. Je voelt je te klein om in opstand te komen. Je hebt het tijdelijk goed en dat acht je genoeg. Noch je toekomst, noch het al te pijnlijke heden van je medemensen kunnen je in beweging brengen. Waar ben je in hemelsnaam mee bezig? Je zit hier godganse dagen te niksen in je doe-het-zelf vagevuur. En nu pretendeer je verliefd te zijn op Birgitte Bardot. Haar fascistisch gebrabbel is nog schoner dan al die verheven idealen die je jezelf toedicht bij elkaar. Iemand als zij bestaat niet in jou tijd. Wat er wel is, is ellende en onrecht. Maar daar ben je blind voor. Wat zeg ik? Je ziet het maar al te goed! En je mag nu wel denken dat ik hier louter in mijn eigen belang gesproken heb. Dat kan allemaal zo zijn, maar het maakt het er niet minder waar op.”


Arthur perplexte. Deze donderpreek was een ingenieuze zet van Goethe geweest. Arthur's geest  overrompeld. Hij wou inderdaad eerst afweren met de gedachte dat het Goethe toch allemaal heel goed uitkwam wat hij zei, maar hij besefte evengoed dat dat niets afdeed van de waarde van zijn woorden, die bovendien geen gedachten uitdrukten die Arthur voorheen niet ook al zelf bedacht had. De verrassende directheid waarmee Goethe hem toegesproken had liet Arthur geen ruimte om zijn zorgen weg te ontwijken. Hij moest wel instemmen. Toch wist hij dat hij zich niet gewonnen ging geven. Het ging nu eenmaal over Birgitte Bardot, een fascistisch, verrukkelijk wijf! Hij had er even moeilijk mee en besloot rationeel met zichzelf te overleggen wat te doen. Dwaas natuurlijk, want hij had toch al beslist!

Goethe had het ook al in de mot, hij zette een plechtig gezicht en naderde Arthur, langzaam, de punt van zijn degen op Arthur's borst gericht. Het steekspel begon. Beiden hadden vertrouwen in een goede afloop en schermden zonder angst. Beiden wisten ook dat als ze de ander niet doden, het omgekeerde zou gebeuren. Goethe zette de aanval in, Arthur ving hem snel op. Zijn steken waren niet zeer snel, noch moeilijk af te weren. Atrhur wist echter dat hij niet voluit ging, want Goethe verdween telkens weer uit Arthur's bereik wanneer die een tegenaanval wou lanceren. Arthur vatte moed. Hij zette aan, behendig, snel. Goethe weerde met moeite af. Arthur ontsnapte ternauwernood aan Goethe's antwoord. Hij had overhaast aangezet, het had zijn dood kunnen zijn. Uit Goethe's parade maakte hij op dat Goethe wel eens sneller zou kunnen zijn dan hij aanvankelijk gedacht had. Arthur zette opnieuw de aanval in, voorzichtiger dit keer. Hij dreigde met enkele schijnsteken, Goethe reageerde niet. Pas wanneer zijn aanval echt gevaarlijk werd had Goethe een antwoord klaar. Dit keer had hij minder moeite met afweren, zijn tegenaanval was onverwachts snel. Arthur sprong weg, net te laat om Goethe's steek te ontwijken. Goethe's degen doorboorde zijn knie. Hij hinkte achteruit. Hij was bang dat Birgitte Bardot bezorgd zou zijn en zocht haar met zijn ogen. Zij was echter schijnbaar geheel niet geïnteresseerd in de levensbedreigend strijd die Arthur uitvocht met een van de meest gewichtige intellecten uit de geschiedenis der mensheid! Ze vertroetelde haar poedel. Athur was compleet vertederd, hij besloot dat ze niet durfde kijken.

Goethe kwam opzetten. Sneller nu, vastberaden. Arthur weerde af, maar Goethe had het doorzien, hij ontweek en zette door. Arthur kon maar nipt ontkomen, aan tegenaanvallen dacht hij al niet meer. Hij besefte dat Goethe voorzichtig gestart was om zijn spel te lezen. Ondertussen wist Goethe vaak Arthur's reacties sneller te doorzien dan hijzelf. Nu hij verzwakt was en Goethe steeds feller kwam op zetten besefte Arthur dat hij het gevecht niet zou winnen. Hij wist bovendien dat Goethe genadeloos was voor ordinaire romantici. Hij wist dat hij zou sterven. En, jawel hoor! Goethe zette aan, ontweek met gemak Arthur's wanhopige tegenaanval en doorboorde zijn hart. Met gevoel voor pathos zakte Arthur op zijn knieën . Vallend richtte hij zijn blik een laatste maal op Brigitte Bardot, die nog steeds achteloos haar gruwelijk lelijke poedel vertroetelde. Ditmaal kon hij zichzelf niet overtuigen dat ze wegkeek uit ondraaglijke empathie voor haar geliefden. Tot zijn eigen verbazing was hij toch niet droevig op 't eind.“Wat een leven!” dacht hij nog, en hij liet het achter.

Goethe achtte zich aanvankelijk geenszins triomfantelijk. Hij had Arthur graag gemogen. Maar gezien hun situatie was zijn dood onvermijdelijk geweest. Goethe begreep dat een passioneel leven offers vergt. Hij verheugde zich niet in het noodzakelijke, noch mokte hij erover. Hij draaide zich om, zijn gezicht nog steeds plechtig geplooid, keek Brigitte Bardot aan. De grote meester straalde. Zij had om onbegrijpelijke reden al haar kleren verloren. Hij knielde voor haar neer. Zwoer haar dat zij het hoogste voor hem was, dat niets ter wereld aan haar kon tippen, dat hij voor eeuwig aan haar zijde stond. Hij verklaarde zich haar knecht, haar horige, haar slaaf. Voor haar zou hij duizenden pacten met de duivel sluiten. Zijn liefde zou zo puur zijn dan God ze alle duizenden weer ongeldig zou verklaren. Voor het eerst in zijn leven voelde hij zich voldaan. Hij stond op, nam Birgitte Bardot bij de arm en stapte met haar het verhaal uit...

Tenminste, zo had hij het voor zich gezien. Bardot rukte zich heftig los. Ze brieste “Gij.....Gij” “Ziet ge dan niet dat ik een fascistisch rotwijf ben!!! Ik heb een mooi snoetje, maar wat zou dat. Jullie mannen zijn allemaal hetzelfde, je ook gij, grijsaard! Jullie noemen ons het hoogste, nobelste, edelste wat weet ik allemaal. Maar jullie ontologiën zijn geperverteerd.  Namen kunnen jullie me wel geven, maar als ik spreek dan luisteren jullie niet en op het einde mag ik sperma slikken.”
Einde verhaal.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten