woensdag 25 januari 2012

Honds liep ik achter je aan. Ik smeekte je om te blijven. Ik snakte naar je adem. “je bent een dwaas” verweet je me bitter. Ik had mijn ziel opengebroken voor jou. Je dichtte me verheven gedachten toe, maar de grootsheid waarmee ik je overviel liet je verlamd achter. Ik spaarde je ook niet van mijn laagste zelf. Je stond versteld. Je geest barstte in een onhoudbare spreidstand. “Ik kan niet van je houden” wist je nog uit te brengen. Je was dubbel kwaad. Je verafschuwde de vuiligheid die ik je voorhield. Je kon de hemel in mij niet vatten. Alsof ik je de toegang tot de het reine rijk van de ziel onthield. Ik zei wel dat ik van je hield. Ik hield meer van mijn liefde voor jou. Ik zei dat je het niet begreep, en onthield je zo mijn achting. Ik meende je boven alles te bewonderen. Ik achtte je mijn gelijke nog niet. Jij, mijn bloemenmeisje. Je vertelde me hoe mythische wezens de sterren bevolken. Ik weigerde koppig te luisteren, verwonderd. Ik brandde op in het koude ijs van mij rede. Je toonde me zo veel. Soms niet meer dan het wuiven van de duinen, maar altijd een dampende zon op de achtergrond. Ach, ik nam je toch nooit uit naar zee. Ik zag nooit wat je me toonde. Ik wilde het bezitten door jou te bezitten. Het verleden ademt een wasem van spijt, onherroepelijk.
Je hebt me gekend. Je hebt me afgewezen. Ik kan je niets verwijten, al wil ik je slechts haten. Ik vraag me af of ik je iets anders had kunnen tonen, of je het begrepen zou hebben. Je pracht reflecteerde in mijn ogen. We zagen het niet, verblind door een afschrikwekkend alledaagse gewoonte. Je kan me verwijten, ik aanvaard het. Ik wou dat je me meer verweet. We waren samen blind. Nu heb ik ogen, afgunstige, eenzame ogen. Argusogen. Ik wou je ziel aanraken, ik had ze moeten belegeren! Wanneer onze blikken kruisen deel je mijn wanhopig verzet, even. Je fladdert een eind weg, vrolijk. Mijn hart deelt je geluk. Het kost me moeite, het is geen goed. Mijn botten breken.

Onze liefde dolde in luchtkastelen. Jij hebt voet aan vaste grond gezet. Ik kan het je niet vergeven, hoe kon je zo profaan zijn! Ik verteer, langzaam. En je zult lachen, en huilen, en opgetogen zijn, en verontwaardigd, en enthousiast, en vrolijk, en verliefd, en bang, en opgewonden, en, en, en. Maar het zal nooit hetzelfde zijn, nooit. Ik had het je willen tonen. Mijn ambitie stokte voor ik ze uitgesproken had. Ik miste fundament, als een blinde schreeuwde ik tegen het theater dat voor mijn ziel verborgen bleef. Op een ondraaglijk stoïcijnse manier ontroerde ik je. Verdwijn! Als je niet van me kunt houden, haat me dan.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten