Ik vergis me niet. Exact vierentwintig jaar geleden waren we jong. Het was een zomerdag, zo een waarop het fruit regent. We bezetten een eenzaam stuk aarde. Ik bekogelde je ranke lijf met aardbeien. Je reactie bleef niet uit, spoedig spatten druiven uiteen op mijn borst. We lachten want het was warm en we waren eindelijk jong. Je vergreep je aan dadels, ik hield het keurig bij meloen. Mango vulde de ruimte tussen onze lippen. Vrolijk bedreven we de melancholie, jij je armen opengeslagen. Ik heb er nooit iemand over verteld, wat ademde je vrijheid toen. Kon ik maar bij je gebleven zijn, ik zou voldoening uit dit leven gehaald hebben. Alles mocht op alle vlakken stuklopen, ik wou je slechts beminnen. Ik wilde voor je arbeiden, bedelen als het moest. Dat deed ik ook, want je vergezelde me niet onbetaald. Maar toch, ik alléén wilde voor je zwoegen. Je lachte mijn ambities opgetogen uit. Noten kraakten de spanningen tussen onze lichamen weg.
“Sluit je ogen, luister naar je lichaam. Ontspan het. Eerst je hoofd, dan je nek, vervolgens je borst, buik. Nu je armen, benen. Tot je voeten, je tenen toe. Je bent licht, vederlicht, wat je verlangt stijgt naar de boven en verzoent zich met de hemel. Verzet je niet langer, geef geluk wat het toekomt, je godin komt naast je liggen.” Wat hield ik toen van je en je net niet geëmancipeerde lach. Je wist dat je sterk moest staan, al kende je de ruwheid van het bestaan nog niet. Alleen ananas vond je ruw, maar dat kon ik schillen. Je liet je strelen, ik drukte mijn vinger op je neus, “Je bent zo zacht als een perzik”
“Jij plebejisch als een pruim.” Ik trok prompt een ster na beneden, ik versierde je haar. Je was blij, want dat dreef je prijs op. Je overlaadde me met kussen. Geluk komt door een kier, maar jij smeet de poort open. Ik sleurde je in een waterval, om je haar nat te zien. Je stráálde honderduit, drukte je lijf tegen me aan. “Zeg dat je van me houdt” je deed het, omdat ik het vroeg. “Zeg dat je van me droomt” “Zeg dat je me nooit verlaat” “Zeg dat je alleen de mijne wil zijn” “Sorry, ik werd dictatoriaal, omhels me.” Je verzorgde mijn wonden met citroenen. Het prikte, tot je er je lippen op perste. Verrukt droomden we naar elkaar toe. “Ik vind je leuk,” deze was spontaan. We gingen verder op onze tenen, je wou het gras niet kwetsen. “Er is veel dat ik niet begrijp, vertel me iets, jij begrijpt zoveel.” Dat was misschien zo, maar ik begreep jou niet, je had je onmogelijk kunnen voorstellen hoe opgetogen ik daarvan werd. We bereikten een hoogtepunt, je bloosde als een appelsien. Ik aanbad je van top tot teen.
Het mocht duidelijk zijn dat ik je niet begreep. Ik was je eerste klant, je was bang geweest. In het begin toch. Ons geluk leek iets vanzelfsprekends. En toch achtervolgt het ons nog steeds, als een herinnering , maar ook als schuld. We betalen elk op onze eigen manier. Ik offer mijn inkomen op om groenten-hoeren af te schuimen. Jij lacht al even gemaakt als de rest, terwijl je je gewillig – of dat wil je toch uitstralen – laat keuren achter een ruit. Je herkende me niet, ik was daar blij om. Ik vroeg me wat er van ons terechtgekomen kon zijn, zonder die ene ontmoeting. Hoezeer ik me ook verantwoordelijk voelde voor je situatie, ik kon me er niet toe brengen onze wellustige rebellie te beklagen. Ik verweet mezelf, want ik kon het niet laten te mijmeren. Vergeef me.