Ergens, ooit;
Waar zonnen onze huid verbrandden,
Smolten we aan elkander;
En alles was warm,
alles dicht,
Wij, één en twee én twee in één;
Liefde is gewicht,
tedere, tedere schouders,
torsen gezwind;
En ik vind
een duif mooier dan een valk;
En jij denkt, stiller,
en alles, alles,
wat we tussen je billen tillen doet je rillen;
Alle honden, die jou omgorden,
sleuren aan je staart;
Ze mogen me niet,
ze bijten, scheuren,
poten die m’n wonden open smijten,
tanden die m’n magen openrijten;
Och, banaliteit,
Wat ben jij?
Dat ik bevrijd,
je benijdt;
Te tevreden,
opgehouden met verweren,
tegen dit leven;
Slapend, mijn dromen vroom;
We stortten,
doolden in saaiheid,
uitgedoold;
Een mierenkolonie,
met zijn tweeën,
en tere, tedere schouders,
dom, bang;
En als kikkers de hemel bevolken,
lelijk, lelijk komen we los,
onze huid gesmolten;
Je krabbelt weg,
een hond tussen honden,
je geblaf sterft in m’n oren,
afgestomd, onbegrepen;
Ik sterf, gekwispel ik sterf.
Hier zijn we gestrand;
In vaart, gezonken;
We koesteren het verleden,
en in stilte trekken we elkanders haren uit.